Activiteiten vanaf 500 meter in de ondergrond zijn door de overheid aangemerkt als mijnbouw. Daarom wordt ook aardwarmtewinning beschouwd als mijnbouwactiviteit. Vanuit de Mijnbouwwet (die in 2021 wordt herzien) zijn hiervoor diverse vergunningen vereist. Op basis van de omgevingswet is daarnaast een omgevingsvergunning verplicht. Bovendien is er nog andere wet- en regelgeving die van belang kan zijn.

Mijnbouwwet

Alle regels die betrekking hebben op het opsporen, winnen en opslaan van delfstoffen en aardwarmte zijn vastgelegd in de Mijnbouwwet. De Mijnbouwwet is uitgewerkt in het Mijnbouwbesluit. De Mijnbouwregeling is een gedetailleerde uitwerking van de Mijnbouwwet en het Mijnbouwbesluit. Met ingang van 2021 treedt naar verwachting een vernieuwde Mijnbouwwet in werking.

Opsporingsvergunning

Op grond van de Mijnbouwwet kan het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) een opsporingsvergunning verlenen aan een aardwarmtebedrijf. Opsporen betekent volgens de wet ‘het onderzoek doen naar de aanwezigheid van aardwarmte of naar gegevens daarover’. Geologisch vooronderzoek en een financieel plan zijn onderdeel van de aanvraag.

Advies, inspraak, zienswijzen en bezwaar

EZK legt de aanvraag aan deskundige organisaties voor: TNO beoordeelt de grootte van het onderzoeksgebied, RVO (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) onderzoekt de financiële onderbouwing van het plan en Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) kijkt naar de ervaring en kennis van de aanvrager (aardwarmte-ontwikkelaar) en adviseert EZK over de manier waarop de aanvrager voornemens is de opsporingsactiviteiten te verrichten, de technische mogelijkheden van de aanvragen, de eerder aangetoonde efficiëntie en verantwoordelijkheidszin van de aanvrager en eventuele nadelige gevolgen voor het milieu.

Centraal staat de vraag: is de aanvrager in staat om de gewenste activiteiten veilig uit te voeren? Ook andere overheidsorganisaties mogen zich over de plannen uitspreken. Zo kijkt het waterschap naar hoe de operator de lozing van water dat vrijkomt tijdens het boren regelt. De provincie controleert of de winning past in de ruimtelijke plannen. De provincie vraagt ook advies aan de gemeente. De gemeente kan over allerlei aspecten adviseren, van veiligheid en handhaving van regels tot de wijze waarop de omgeving wordt betrokken bij het project. Op basis van deze resultaten adviseert de Mijnraad of EZK de vergunning kan toekennen.

Alleenrecht

Als de opsporingsvergunning wordt toegekend, is het andere bedrijven niet toegestaan om het gebied te onderzoeken. Met een opsporingsvergunning kan een operator bovendien een aardwarmte-installatie aanleggen en de winning van warmte testen.

Werkplan opsporing

Binnen vier weken na de verlening van de opsporingsvergunning moet de operator een werkplan indienen bij SodM. Dit werkplan geeft een overzicht van de belangrijkste activiteiten die de komende vijf jaar in het vergunninggebied plaatsvinden. In elk geval bevat het werkplan:

  • een overzicht van de belangrijkste mijnbouwactiviteiten in de komende vijf jaar
  • een uitgebreid overzicht van de mijnbouwactiviteiten in het komende jaar zoals een seismisch onderzoek, boringen en eventuele constructiewerkzaamheden
  • een veiligheids- en gezondheidsplan voor medewerkers (‘health & safety plan’)
  • een organisatieschema inclusief de namen van de verantwoordelijke personen
  • kaarten van de structuur van de ondergrond

Winningsvergunning

Voordat de winning start, moet de operator een winningsvergunning en een goedgekeurd winningsplan hebben. Zodra deze binnen zijn, kan het aardwarmtebedrijf/operator starten.

De winningsvergunning beschrijft het gebied en de periode waarbinnen de vergunninghouder het alleenrecht heeft om aardwarmte te winnen. Dit alleenrecht heeft de ontwikkelaar nodig, omdat er zeer hoge kosten zijn in de voorbereiding. (N.B. De winningsvergunning staat los van de toestemming om een put te mogen boren, een aardwarmte-installatie aan te leggen of de start van de winning. Hiervoor is een omgevingsvergunning en een goedgekeurd werkplan nodig.) De aanvraag voor een winningsvergunning bevat onder meer een meerjarenwinningsprogramma.

Advies, inspraak, zienswijzen en bezwaar

De minister van EZK vraagt aan verschillende partijen (zoals SodM, de Mijnraad en de provincie) advies over de aanvraag. De operator die al een opsporingsvergunning voor het gebied heeft en aan de vereisten voldoet, krijgt met voorrang een winningsvergunning. Deze wordt niet gepubliceerd. In de publicatie van de winningsvergunning nodigt de minister andere partijen uit om binnen 13 weken een concurrerende aanvraag in te dienen.

De minister kan de winningsvergunning weigeren, bijvoorbeeld als de technische capaciteiten van de operator of de gebruikte technieken onvoldoende zijn. Alle weigeringsgronden zijn vermeld in de Mijnbouwwet.

Extra voorwaarden

De minister van EZK kan ook de vergunning onder beperkingen verlenen of voorschriften aan de vergunning verbinden. Bijvoorbeeld door technieken of activiteiten voor te schrijven of juist te verbieden voor (delen van) het gebied. In het besluit vermeldt de minister of de vergunning wordt verleend en waarom. In de vergunning benoemt de minister de aanvrager(s) tot ‘vergunninghouder’ en legt het betreffende gebied vast. In de vergunning staat welke vergunninghouder verantwoordelijk is voor het uitvoeren van de activiteiten.

Werkplan

Binnen vier weken na het verlenen van de winningsvergunning moet de aardwarmte-ontwikkelaar of operator een werkplan indienen bij SodM. Dit geeft een overzicht van de belangrijkste activiteiten in het vergunninggebied in de komende vijf jaar. Verder bevat het een uitgebreid overzicht van activiteiten in het eerste jaar, een beschrijving van de boringen, aanleg van de installatie en aanvullende constructies. Eveneens bevat het werkplan een veiligheids- en gezondheidsplan voor medewerkers en een planning. Het werkplan wordt jaarlijks geactualiseerd.

Winningsplan

De operator moet ook een winningsplan indienen. Hierin zijn alle details over de winning bijeengebracht, zoals de werkmethode en duur van de aardwarmtewinning. De operator geeft aan op welke wijze en hoeveel aardwarmte wordt gewonnen (het winningstempo) en wat de verwachte effecten zijn op de ondergrond. Daarnaast moet een operator aantonen dat voldoende maatregelen zijn getroffen voor het opvangen van eventuele nadelige gevolgen.

Advies, inspraak, zienswijzen en bezwaar

De minister laat het winningsplan toetsen aan de Mijnbouwwet en wint advies in bij SodM, de Mijnraad en de Technische commissie bodembeweging. Ook provincies, gemeenten en waterschappen hebben adviesrecht bij het winningsplan. De minister kan ook instemming verlenen onder beperkingen of er voorschriften aan verbinden. Het winningsplan moet voldoen aan verschillende wetgeving zoals de Waterwet, de Wet Milieubeheer, de Wet Natuurbescherming en het Omgevingsrecht.

Bij een concept-besluit voor een winningsplan hebben belanghebbenden zoals omwonenden de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen. Voor belanghebbenden staat eventueel rechtstreeks beroep bij de rechter open.

Nieuwe winningsplannen liggen (als onderdeel van de procedure ter goedkeuring) ter inzage voor het publiek.

Sluitingsplan

Uiterlijk een jaar nadat de winning is gestaakt, dient de operator een sluitingsplan in bij het ministerie. In het Mijnbouwbesluit staat welke informatie hierin moet staan. De minister beslist binnen 13 weken over het sluitingsplan. Blijft een beslissing binnen deze periode uit, dan is het plan van rechtswege goedgekeurd.

Werkprogramma sluiting

De operator moet voor het buiten gebruik stellen van boorputten en boorgat(en) een plan maken en dit naar SodM sturen.

 

 

Omgevingsvergunning

De Omgevingswet is van toepassing op de bovengrondse aspecten van de aardwarmte-installatie. Dit zijn met name:

  • het winningsterrein
  • de gebouwen
  • de omgeving van de winningslocatie.

De Omgevingswet heeft betrekking op onder andere bouwvereisten, milieueffecten en de ruimtelijke inpassing (dit zijn zaken die niet of beperkt bij een opsporingsvergunning aan de orde zijn gekomen). Voordat seismisch onderzoek of het boren van een put start, moet de operator een omgevingsvergunning hebben. Deze vraagt de operator aan bij het ministerie van EZK. Omdat aardwarmte een mijnbouwactiviteit is, is de Rijksoverheid het bevoegd gezag.

Advies, inspraak, zienswijzen en bezwaar

De gemeente en provincie hebben adviesrecht bij de vergunningverlening. Omwonenden kunnen hun zienswijze naar voren brengen over een aantal aspecten. Bijvoorbeeld over de veiligheid, gevolgen voor het milieu of de informatievoorziening. Daarmee hebben bewoners dus invloed op aardwarmteplannen in het gebied.

Belanghebbenden (zoals omwonenden) kunnen tot zes weken na het verlenen van de omgevingsvergunning bezwaar maken bij de gemeente. Een bezwaar betekent nog niet dat de operator de activiteiten niet mag uitvoeren. Hierover neemt de gemeente een besluit. De operator kondigt de aardwarmteplannen aan en organiseert informatiebijeenkomsten. Ook gemeenten hebben een plicht om omwonenden te betrekken. Zie Van concept tot uitvoering.

Milieueffectrapport (MER)

Bij de omgevingsvergunning voor de aanleg van een aardwarmte-installatie moet de minister beoordelen of een milieueffectrapport (MER) nodig is, op grond van de Wet milieubeheer. Een MER moet ervoor zorgen dat het milieubelang volwaardig meeweegt in de voorbereiding en het besluit over activiteiten die mogelijk nadelig kunnen zijn voor het milieu. Als een MER nodig is, moet de operator dit rapport samen met de aanvraag voor de omgevingsvergunning indienen. De operator moet dus eerst de minister van Economische Zaken en Klimaat op de hoogte stellen van het voornemen om een omgevingsvergunning aan te vragen. Vervolgens beslist de minister of de operator een MER moet opstellen. Als de boring nabij een kwetsbaar gebied (waterwin- of natuurgebied) is gepland, is meestal een MER nodig. Operators mogen ook op eigen initiatief een MER opstellen.

Warmtewet

In de Warmtewet staan regels over de levering van warmte, koude en bronwarmte. De Autoriteit Consument & Markt (ACM) controleert of leveranciers zich aan deze regels houden. De Warmtewet beschermt de verbruikers van warmte onder andere tegen te hoge prijzen voor warmtelevering. Zo mogen de kosten van aardwarmte levering nooit duurder zijn dan die van aardgaslevering (inclusief kosten cv-ketel).

Naar verwachting wordt in 2021 de Warmtewet herzien.

Lozingsvergunning

Bij het winnen van aardwarmte komt afvalwater vrij, dat wordt geloosd op het oppervlaktewater of op het riool. De operator is verplicht hiervoor een lozingsvergunning aan te vragen bij het waterschap. Bij lozing op rijkswateren is een vergunning nodig van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.

Andere wet- en regelgeving

Ook andere wet- en regelgeving kan van toepassing zijn bij aardwarmtewinning.

  • Speciale milieubeschermende voorschriften zijn opgenomen in het Besluit algemene regels milieu mijnbouw (Barmm)
  • De Wet bodembescherming (Wbb) stelt regels om de bodem te beschermen. De Wbb beschouwt grondwater als een onderdeel van de bodem. Daarnaast worden de sanering van verontreinigde bodem en grondwater in de Wbb geregeld.
  • In de Flora- en faunawet (Ffw) wordt de bescherming van diersoorten en plantensoorten geregeld. Aardwarmtewinning heeft voor zover bekend geen nadelige gevolgen voor flora- en fauna, maar deze zijn niet uit te sluiten.
  • De Natuurbeschermingswet (Nbw) regelt de bescherming van gebieden die in het kader van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn beschermd moeten worden.
  • Het Rijk, de provincie en de gemeente moeten structuurvisies vaststellen op basis van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Structuurvisies zijn indicatieve plannen waarin op hoofdlijnen de ontwikkeling van een bepaald gebied is vastgelegd. Een voorbeeld is de Structuurvisie Ondergrond.
  • De Wet bodembescherming (Wbb) stelt regels om de bodem te beschermen. De Wbb maakt duidelijk dat grondwater een onderdeel van de bodem is. Daarnaast worden de sanering van verontreinigde bodem en grondwater, geregeld. Ook lozingen in of op de bodem kunnen op grond van de Wbb worden gereguleerd.
  • De Wet ruimtelijke ordening verplicht gemeenten een bestemmingsplan voor het gehele grondgebied vast te stellen. In het bestemmingsplan kan bijvoorbeeld worden vastgelegd dat voor bepaalde werken of werkzaamheden een omgevingsvergunning vereist is.
  • Bestemmingsplannen bevatten vaak uitsluitingen van boringen en seismisch onderzoek.
  • Het Besluit Basisveiligheidsnormen Stralingsbescherming (Bbs) voor het werken met- en de opslag en transport van natuurlijk radioactief materiaal (NORM)
  • REACH is een Europese verordening over de productie van en handel in chemische stoffen. Het beschrijft waar bedrijven en overheden zich aan moeten houden. Reach staat voor: Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van Chemische stoffen.

Veiligheid

Veilige en verantwoorde winning van aardwarmte is van groot belang. Om die reden moeten aardwarmte-operators vooraf grondig de risico’s onderzoeken. Ook moet de operator voor en tijdens het winnen veiligheidsmaatregelen treffen en veiligheidsprocedures naleven. De operator is verplicht om met alle belanghebbenden te communiceren over veiligheidsmaatregelen.

SodM (Staatstoezicht op de Mijnen) ziet toe op het naleven van de veiligheid voor mens en milieu. Daarbij kijkt SodM naar het risico op aardbevingen, gevolgen van de winning voor de ondergrond en grondwater en naar de arbeidsomstandigheden van het personeel. Meer over veiligheid en maatregelen lees je hier